| Balkenbrij |
Geschiedenis:
Balkenbrij heeft de vorm van een balk. Het woord balk stamt van het
Oudnederlandse bake (buik) en is terug te vinden in het Engelse bacon.
Vooral op het platteland was het product populair. Omdat men thuis
slachtte waren de voornaamste ingrediënten (kookvocht en slachtresten)
altijd voorhanden. De precieze samenstelling verschilde per regio. De
Limburgers gebruikten als smaakmaker bloed, in Brabant voegde men
uitgebakken spekjes toe en de Gelderlanders maakten een zoetere
variant met rozijnen en het zogenoemde rommelkruid. De in plakken
gesneden balkenbrij werd aan beide kanten knapperig gebakken in
(spek)vet of boter. Men at de plakken op roggebrood bij het ontbijt of
met een pannenkoek. De Gelderse (rozijnen) variant werd extra gezoet
door stroop of basterdsuiker op de plakken te doen.
De tegenwoordige balkenbrij is luxer dan vroeger. Toen was het vooral
belangrijk om een voedzaam product te maken, nu zijn de smaak en
ingrediënten belangrijk.
Soortgelijke producten:
Bossche Beuling, Twentse Bakleverworst.
|
|
 |
Recept:
Op het platteland bestonden niet echt recepten voor balkenbrij. Men
bracht bouillon op smaak met peper, zout en rommelkruid* en liet het
koken. Vervolgens werden slachtresten of dobbelsteentjes spek
toegevoegd. Terwijl dit goedje pruttelde, strooide één persoon beetje
bij beetje boekweitmeel in de pan, terwijl een ander roerde. Het
mengsel (een soort roe) was klaar als de massa begon te ploffen. De
brij werd in platte bakken gedaan, glad gestreken om het vervolgens te
laten opstijven.
* Tegenwoordig is rommelkruid nauwelijks verkrijgbaar. Zelf maken
kan door gemalen zoethoutwortel, suiker, anijs, kaneelkoppen,
gemberpoeder en sadelhout te mengen. |
| |
|